Als je je realiseert dat het niet mogelijk is om de sfeer van Alpe d’HuZes onder woorden te brengen, is de druk er ook af om het te proberen. Ok, heel misschien is het wel mogelijk, maar daar moet je een echte schrijver voor zijn, denk ik. En ik ben geen schrijver, ik ben een klimmer. Want waar er weinig literairs bij me opkwam om vijf uur ‘s ochtends, ging ik uit de startblokken wel meteen lekker omhoog. Ergens bij bocht 16 (het kan ook 14 zijn geweest, want het was donker), wijst Matijs op de kronkelende slang van lichtjes beneden, die ons de berg op volgt. Allemaal renners met een dag rugbrekend beulwerk voor de boeg, allemaal met hun eigen reden. En al deze lichtjes, al die renners, voor mij weer redenen om te rijden.
Een volgende bocht geeft ons een uitzicht over het dal en het licht van Bourg d’Oisans, waar een rivier van mist doorheen stroomt. Kippevel, maar alles behalve koud. Matijs ‘ik ben geen klimmer’ Jansen heeft er inmiddels een respectabel tandje opgezet en we zijn alleen. Ergens boven de boomgrens wordt het wattage iets terruggedraaid en is er lucht over voor een praatje. De enige en laatste keer die dag, ik zal verder alleen rijden. Dat is klimmen: je eigen tempo zoeken. Sommigen vinden samen een tempo. Ik rijd ze voorbij; zwijgend en hijgend in groepsverband.
Als je klimt, zie je meteen wie stuk zit. Houding, tred, cadans, de Grote Leegte straalt er vanaf. Maar in het passeren zie ik bij iedereen dezelfde blik. Het is een blik van doelbewust lijden. Ik zal hem ook hebben, al weet ik dat aardig te verbergen voor de camera, zie ik later in de stomme grijns op een foto van mijn Vijfde. De zonnebril helpt.
Matijs en ik komen samen boven, en de de ochtendrust van de Alp wordt verpletterd: “Kaaaanjerrrs!”, het zal die dag nog vaak klinken. Na ongeveer 58 minuten rol ik over de streep naar een ontvangst die de best gesoigneerde prof zich alleen kan wensen. De benen worden losgeschud en ik krijg een bidon aangereikt, terwijl de daalkleding wordt aangetrokken. Ik ben niet gewend aan deze verzorging en neem dus de tijd om ervan te genieten, voor ik omdraai en aan een voorzichtige daling begin. De weg is nog nat en we zijn Jurriaan al kwijtgeraakt aan een valpartij. Tijdens een trainingsrit op dinsdag komt hij in de daling hard ten val en de artsen in Grenoble constateren naast een ernstig geschaafd uiterlijk ook een hersenschudding. Coen drukt ons bij elke bijeenkomst op het hart om met reserve te dalen. Gelukkig komt op 7 Juni niemand ten val, ondanks vermoeiheid en de natte weg. Ik heb zowizo geen probleem dit advies op te volgen, want ik daal van nature als een watje. Dus ik sta ruim een kwartier later weer bij camping La Piscine, waar de startstreep is getrokken. Nog zes keer te gaan.
Sander is inmiddels alweer aan het klimmen, hij draait sneller om. Ik kan in eerste instantie de dal-soigneurs niet vinden en zoek wat naar een bidonnetje. De vader van Sander ziet me rondscharrelen en wijst me op de Grote Doos, waar we de vorige avond onze bevoorrading in hebben klaargezet. Nadat ik me heb ontdaan van fietstrui, daaljack, beenstukken, skul cap, helm en handschoenen, klim ik weer op mijn Canyon en meld me aan voor nummer 2.
Die gaat in 258 Watt gemiddeld, net als nummer 3 en 4. Dat is nog eens een vlak schema rijden. Later zie ik dat dit wattage goed is voor een krappe 56 minuten. Harder dan ik, mogelijk een tikkeltje conservatief, had ingeschat. Maar spieren kunnen niet onbeperkt samentrekken en ontspannen. Er zijn grenzen en ze komen bij mij langzamerhand in zicht. Na de vierde klim zijn mijn benen stijf en de hamstrings staan strak; typisch een wielrennersklacht. Ik eet een gelletje. Dat moet ik misschien even uitleggen. Stel je een pot haargel voor, waarin in belachelijke hoeveelheid suiker is gegooid en wat smaakstof die de kleverige troep een bijzonder onnatuurlijke banaansmaak geeft. Aardbei hebben ze ook. Daarvan stoppen ze een handvol in een soort tube die je in een paar flinke halen in je mond leegknijpt. Vies, ja. Eten is dan ook niet het juiste woord. Brandstof, daar gaat het om. Consequent bijtanken, anders kapt de motor er mee. Als je nauwelijks speeksel hebt, je te moe bent om te kauwen en je spijsvertering is stilgelegd omdat je lichaam de zuurstof alleen nog naar je spieren brengt, dan is zo’n gelletje een efficiënte brandstof. En drinken, heel erg veel drinken. Koolhydratenpoeder opgelost in water, ook niet iets waar je op een terrasje van gaat zitten nippen. Ik drink er die dag een liter of 7 á 8 van. En dat is nog niet eens veel, want het is niet warm. Het begint zelfs te regen. Wanneer was dat? De afdaling na nummer 4? Tijdens de vijfde klim? Ik weet het moment niet meer, maar wel de afdaling. Ondanks mijn 4 lagen winddichte kleding klapperen mijn tanden de twaalfeneenhalve kilometer naar beneden. Dat moet na de vijfde zijn geweest, bedenk ik. Op de top is het koud en terwijl ik probeer mijn beenstukken aan te trekken schiet de kramp in mijn rechter hamstring. Ik voel de spier hard worden en strek onmiddelijk mijn been zo hard mogelijk. De kramp zet niet door en Francis helpt me met de beenstukken. Nog twee keer.
Ik krijg last van een hardnekkige vorm van déjà vu. Verdomme, ik was deze bocht toch al voorbij? Ja, al 5 keer, eikel. Gefrustreerd constateer ik dat mijn wattage begint terug te lopen, met name in de tweede helft van de klim. De berg is niet op de hoogte van mijn plan om een vlak schema te rijden en begint heel langzaam mijn benen te slopen. Onzin natuurlijk, dat slopen doe ik helemaal zelf. Ik wordt ook niet boos, zoals sommigen, die de berg gaan vervloeken. Alles wat je helpt boven te komen is geoorloofd, maar ik scheld alleen op wind. De berg is goed. Alleen ik wordt minder. Ruim 58 minuten, de laatste zal wel net boven het uur komen, schat ik. Alles is nat; de berg, mijn kleding en ik, tot op het bot. Sturen is niet leuk meer met armen die trillen en ik ga nog langzamer. Ergens in de daling neemt de temperatuur vrij abrupt toe. Prettig, maar het komt voor mij te laat. Ik heb het Tilff gevoel. 27 Mei, 230 kilometer in de Ardennen en het regent alsof het nooit meer gaat stoppen. Zo intens koud dat ik pas in Frankrijk begin te herstellen. Eenmaal beneden met nog één beklimming te gaan, rij ik naar het huisje op de camping. Uit die natte zooi, afdrogen en mijn allerlaatste setje droge kleding aan. Handen onder de warme kraan, twintig seconden puur genot en ik stap weer op de fiets. Ik zit niet stuk, maar de wilde frisheid van limoenen is er wel een beetje vanaf. In de laatste 7 kilometer houd het op met zachtjes regenen. Mijn voornemen om de laatste keer alles te geven spoelt langzaam weg en ik accepteer het tempo. Ik heb godver hard genoeg gereden vandaag. 2 kilometer en ik haal een oudere deelnemer in. Het tempoverschil is me opeens niet groot genoeg en het egootje begint te jeuken. Ik ga dus staan en zet een een versnelling in. 20, 30 Watt extra, tot aan de wegwerkzaamheden. Dat die in de zomermaanden moeten gebeuren, is te begrijpen, maar in de laatste kilometer moeten afstappen voor een achteruit inparkerende kiepwagen wordt me teveel. Ik laat een knetterend Godverdomme over de berg galmen en wurm me langs de Franse arbeiders, daar gaat mijn uur. Wat dondert het ook, daar de finish, met die fantastische mensen die al de hele dag staan te gillen en te zingen. En zij zijn nog lang niet klaar. En al die Strijders achter me, sommigen net gestart voor hun Vierde. 7 keer Alpe d’Huez, op een kiepwagen na allemaal binnen een uur. En daar de man die zonder een meter te fietsen meer heeft afgezien dan wij allemaal. Peter Kapitein als toeschouwer, zijn lijf liet hem in de steek. De laatste keer onder de boog en ik val in de armen van mijn soigneurs. Sander is er ook al en het enige wat ik uit weet te brengen is ‘Dit is het mooiste wat er is’. Dan kruip ik in de auto om mijn meisje te bellen. Lief, ik ben boven.
VAM & W/kg estimates
7 jaar geleden
Geen opmerkingen:
Een reactie posten